De basisprincipes van de evolutietheorie van Darwin

De evolutietheorie van Darwin wordt vandaag de dag voor een groot deel van de bevolking én de wetenschap aangenomen als de verklaring hoe de verschillende soorten op onze aarde ontstaan zijn. De basisprincipes van de evolutietheorie van Darwin staan haarfijn uitgelegd in zijn boek The Origin of Species uit 1859. Hij schreef dit boek na zijn reis met de Beagle en is nog steeds één van de belangrijkste boeken uit de geschiedenis van de mensheid. Charles Darwin legt hierin uit dat het leven op aarde niet door een God is gecreëerd, maar dat alle levende wezens die de aarde nu bevolken dit te danken hebben aan een evolutie volgens natuurlijke selectie. Dit houdt in dat wezens die beter in hun omgeving passen, meer kans hebben om te overleven (de zogenaamde Survival of the Fittest of natuurlijke selectie). Het genetisch materiaal van deze soorten wordt dan overgeven op de volgende generaties en zo ontstaat een soort die perfect aangepast is aan de omstandigheden. Een andere peiler van de evolutietheorie is de Struggle for Live, ofwel de dagelijkse strijd met soortgenoten om te overleven. Dit betekent dat elk individu de wil heeft om te overleven en elke dag moet vechten voor zijn bestaan.